waar woon je -vroeg ik geruisloos in een winter toen het
nog zo koud was in de koudste kamer van het huis-
ik zag hoe je huid losjes om je lichaam lag en wist hoe
de binnenkant ervan -warm- je binnenste raakte, teder
alsof je huid daar van de zachte watten was
ik kende al je slaapgeluiden en vroeg me af
of je op zo'n moment wist waar je ziel vertoefde
en of je je bewust was van deze zalige slaap;
de armen omhoog je oksels ontbloot – de tere
kwetsbare onderkant van een bovenarm lichtte op
maar- waar verblijf je, waar kan ik je vinden
wanneer je troost en tederheid nodig hebt
wanneer het lijden je overwoekert
wanneer de eenzaamheid je uitholt
waar kan ik je vinden … je binnenste schreeuw?
juni 18, 2010 at 20:55
Ik lees het, voel het, vind het ontroerend mooi maar tegelijk zo pijnvol alsof je anticipeert op het gestorven zijn van een dichter die je dierbaar is.
juni 18, 2010 at 23:34
Oh nee Marius, het tegendeel is waar.
En ergens zág ik die mens -de dichter- wonend binnenin zichzelf, die ene zo warm levende mens…
1. Een mens, zo warm, van leven zo … zo levend -een mens van vlees en bloed en botten; een huid waarvan de buitenkant een afspiegeling is van het volle bruisende en tomeloze leven binnenin, een bruisen dat zich vanuit de zachte donkere binnenkant van de huid een weg naar het licht, naar buiten baant. De huid die leeft van bÃnnenuit -opgebouwd en gevoed, geworteld. De huid waarvan ik plotseling de oorsprong (het leven zélf) wist. Een huid losjes om het lichaam, een tenger figuur, een mens die nog ruimte heeft in zichzelf.
2. De slaper die leeft in zijn diepste binnenste, en in zijn bron ongekend kwetsbaar durft zijn. De slaper die ongeweten het leven vertrouwt, daar waar het bewustzijn alerter angstiger zou zijn, dáár geeft de slaap Vrede. Een vrede die nooit geschonden kan worden, want een slaper is veilig geborgen in zichzelf. Slechts een teder licht kan hem en zijn verlangen behoedzaam raken, de stille slapende schoonheid en die zo tedere lichtval benam me de adem. Nog steeds -al is het lang geleden
3. Maar het diepste verdriet, de levenspijn waar zit dat, wáár is de liefde het hardste nodig; op welke plaats mag het neergelegd worden zodat het gevonden wordt en tot troost mag zijn voor alle oude en alle toekomstige wonden?
Waar kan ik deze mens behoeden voor overwoekering, voor uitholling, voor het huilen. Wáár is de wortel van de schreeuw-de pijn-de angst, de wortel die ik van goede verzachtende aarde wilde voorzien, op welke plaats leg ik de liefde neer?
Waar verblijft men, waar woont men werkelijk in het lichaam – waar zetelt een ziel?